Wat kunnen we leren van deze vertrekkers?

We willen wel divers worden, maar er zijn te weinig journalisten met een migratieachtergrond, hoor je wel eens. Maar wat als deze journalisten de media verlaten, omdat zij zich niet thuis voelen op redacties? Of omdat zij zien dat media een vertekend beeld geven, iets waar ze in hun eentje weinig aan kunnen veranderen.

Het gebeurt. Volgens Zoë Papaikonomou en Annebregt Dijkman, auteurs van het nieuwe boek Heb je ook een boze moslim voor mij?, is het gebrek aan journalisten met een migratieachtergrond niet de wortel van het probleem.

Zij zien dat journalisten met een migratieachtergrond zich niet thuis voelen op redacties, en dat witte journalisten te weinig de verantwoordelijkheid nemen voor verschillende perspectieven in de berichtgeving. Als dit niet verandert, zal er weinig veranderen, zeggen ze.

Daarom willen wij weten wat we kunnen leren van de vertrekkers. We interviewden twee van hen.

“’Eet je hond?’, werd mij gevraagd op de redactie”

ChangJu Cheung begon zijn journalistieke loopbaan bij de Amsterdamse omroep AT5, na de master Communicatie- en informatiewetenschappen. Daarna werkte hij onder andere bij De Wereld Draait door. Hij merkte dat hij niet geaccepteerd wordt, en ziet dat media een vertekend beeld geven over Chinezen.

“Ik was best naïef voordat ik in de media terechtkwam. Ik dacht dat nieuwsberichten neutraal zijn, maar de werkelijkheid is anders. Hier kom je pas echt achter als media over onderwerpen berichten die nauw aan je hart liggen; in mijn geval onderwerpen die te maken hebben met mijn etnische achtergrond.”
“Ik woon inmiddels drie jaar in Hong Kong; ik ben geïmmigreerd voor de liefde. Maar ik volg de Nederlandse media nog en zie dat er weinig is veranderd. Laatst hadden ze het bij Jinek bijvoorbeeld over het Chinees nieuwjaar. Ze hadden een Chinese zakenman uitgenodigd en Ruben Terlou, de presentator van Langs de oevers van de Yangtze. Waarschijnlijk konden ze geen betere gasten vinden. Dus toen werden weer de standaard dingen gezegd: waarom het wordt gevierd en hoe. Maar zelfs dat was slecht.”
“Alsof het niet erg genoeg was, ging een van de twee ook nog eens een voorspelling doen over de wereld in 2018. De Chinese astrologie is heel ingewikkeld  – of je erin gelooft, is weer iets anders – en dat kan echt niet gedaan worden door iemand die zich er niet voor een lange tijd in heeft verdiept. De uitzending ging over Chinezen maar is niet voor Chinezen gemaakt.”
“Dat laatste geldt ook voor ‘Langs de oevers van de Yangtze’. Het is een heel mooi programma over China. Maar echte Chinezen herkennen zich helemaal niet in zijn verhaal. De presentator vertelt dingen vanuit een Westers perspectief en vaak wordt het dan raar gevonden. Maar voor Chinezen is het normaal.”
“Allochtone journalisten kunnen dit veranderen. Zowel op beeld als achter de schermen zijn zij van groot belang. Zij kunnen daarnaast voorkomen dat er een vertekend of te negatief beeld wordt gecreëerd. Dat dit hard nodig is heb ik zelf ook ervaren op de redactie. Collega’s durfden mij zelfs de volgende vragen te stellen: Eet je hond? Kan je kungfu?”
“Het is dan wel belangrijk dat verschillen geaccepteerd en omarmd worden. Ik had dat gevoel niet, en vond het mede daarom lastig om mijn mening te geven op de witte redactie. Bij de Amsterdamse omroep AT5 heb ik bijvoorbeeld het programma Chang’s Choice gepresenteerd. In de eerste fase werd alles voor mij bedacht en deed ik wat gevraagd werd, ook het boeddhistisch handgebaar aan het eind. Het had niets met mij te maken en ook niet met mijn geloof. Ik had er niet veel moeite mee, vond het toen wel grappig. Maar mijn omgeving sprak me erop aan, want ik versterkte het stereotype beeld over Aziaten. Ze hadden gelijk. Toch liet ik het allemaal gebeuren.”
“Een ander probleem is dat collega’s verwachten dat je je aanpast. Bij De Wereld Draait Door vonden ze het gek dat ik nooit bleef borrelen na een lange werkdag van tien uur. Mijn witte collega’s deden dat elke dag. Ik heb het in het begin geprobeerd, maar het was niets voor mij. Zij hadden het over dingen die ik helemaal niet interessant vond. Toon Hermans was hun held, voor mij was dat Sammi Cheng, de Chinese Madonna. Na een tijdje werd het een dingetje dat ik niet kwam. Ik was asociaal, dat werd echt gezegd.”
“Ik merkte ook dat er in hokjes wordt gedacht. Heel vaak kreeg ik te horen: ‘Jij bent anders (dan de andere allochtonen)’. Over Chinezen in Nederland hoor je weinig, wij passen ons beter aan volgens mijn witte oud-collega’s, wij zijn beter geïntegreerd in hun ogen. Alsof Chinezen zich erg Nederlands voelen. Daar denk ik heel anders over. Wij hebben andere prioriteiten. Wij hebben helemaal geen zin in discussies; het vermijden van conflicten is een Chinese eigenschap.”
“Televisie maken is mijn passie. Toch denk ik dat er voor mij weinig doorgroeimogelijkheden zijn in de Nederlandse media. De taal speelt mee natuurlijk. Hoe goed ik ook Nederlands spreek, ik spreek het slechter dan anderen in het vak, onder andere omdat ik vier talen kan. Maar ik denk vooral dat autochtone collega’s een streepje voor hebben. Dat is een reden geweest om weg te gaan.”
“Ondanks alles heb ik het heel leuk gehad bij AT5, DWDD en FCCE. Ik hoop dat journalisten hun allochtone collega’s gaan accepteren zoals ze zijn. En dat nieuws voor iedereen wordt gemaakt; dat mensen over wie het gaat zich erin herkennen. Dan voelen zij zich erkend, en voorkom je dat de afstand tussen verschillende groepen toeneemt.”

“Ik heb me nog nooit zo misplaatst gevoeld”

Tünay Yilmaz heeft de bachelor Bedrijfscommunicatie afgerond op de Hogeschool van Utrecht. Ze begon de journalistieke vakken steeds leuker te vinden, is ‘eindeloos nieuwsgierig’. Maar na haar korte ervaringen in de mediawereld, heeft ze een ander pad gekozen. 

“’Oh, een artikel van Tünay, daar moeten we even beter voor gaan zitten.’ Zo voelde dat. Ik denk dat mijn werk kritischer werd nagekeken dan het werk van mijn Nederlandse klasgenoten. Een leraar vroeg me een keer in welke taal ik denk, en of ik veel in het Nederlands schrijf, in plaats van me gewoon de schrijftechnieken uit te leggen. Het leek alsof ik 1-0 achterstond. Ik deed extra mijn best. Het resultaat was er hoor; een van mijn docenten was heel positief en heeft me een 9,6 gegeven voor een journalistiek vak. Maar die positie, die was niet fijn.”
“Ik vond de journalistieke vakken steeds leuker. Vooral achtergrondverhalen en interviews spreken me aan. Maar zou ik me thuis voelen in de mediawereld? Mijn eerste ervaringen in het werkveld zijn niet goed. We gingen met de klas naar radio- en televisieredacties in Amsterdam. Ik werd op de redactievloer door allerlei mensen aangekeken, misschien door mijn hoofddoek, ik weet het niet. Ik heb me nog nooit zo misplaatst gevoeld als daar.”
“Een andere gebeurtenis zou ik ook nooit vergeten. Een bekende journalist gaf een gastcollege en vertelde ook over Turkije, het geboorteland van mijn ouders. Dat schrijft voor een grote groep?, vroeg ik me geschokt af. Hij vertelde dat Turken in Istanboel modern zijn en de Turken in de dorpen niet. Hier in Nederland wonen vooral Turken die van oorsprong uit dorpen komen, en zij hebben hun niet-moderne cultuur meegenomen. Daar kwam het allemaal op neer. Zo kort door de bocht.”
“Ik hield me niet stil, kreeg elke keer een elleboogstoot van mijn klasgenoot. Wat is modern? Betekent er westers uitzien dat je modern bent? Ik heb hem gezegd dat ik mijn vader moderner vind dan hij. Hij komt uit een dorp, heeft de basisschool nooit afgemaakt omdat hij dyslectisch is, maar hij is een echte wereldburger en veroordeelt mensen niet op hun herkomst.”
“Na mijn studie heb ik een korte periode stage gelopen bij persbureau ANP, een zelf geïnitieerde stage. Ik heb mijn cv opgestuurd en de redactiechef zei ‘Ik begeleid je’. Ik schrok toen ik zag dat iemand met een kopje thee nieuws selecteert uit een grote actualiteitenstroom. Je leert op school over de journalistieke waakhond; ik had niet verwacht dat het er zó uit zou zien. Maar ik ging gemotiveerd aan de slag.
‘Waarom kies je zoiets? Het heeft geen nieuwswaarde’, kreeg ik regelmatig te horen. Ze vonden mijn nieuwsselectie raar. Ik herinner me nog goed dat ik deze vraag ook kreeg toen ik een bericht selecteerde over de Gazastrook. Er waren tientallen Palestijnse doden gevallen. Het heeft geen nieuwswaarde, er vallen daar vaak doden, werd me gezegd. In plaats daarvan werd er gekozen voor een bericht over een burenruzie! Ik begrijp het echt niet. Zijn westerse levens belangrijker dan niet-westerse? Waarom zie ik een kloof in de berichtgeving: wij versus zij?”
“Ik heb nooit een soortgenoot gehad met wie ik mijn frustraties kon delen. Misschien was dat makkelijker geweest. Of juist niet; dan hadden we elkaar kunnen zeggen dat we het niet zouden redden in de  mediawereld. Waarschijnlijk was ik wel geholpen met een rolmodel. Dan had ik kunnen denken ‘Ik ben niet de enige’, ‘Ik kom hier overheen’, ‘Ik kan wel wat bereiken’.”
“Ik denk dat meer jongeren voor de journalistiek kiezen als zij zo’n rolmodel hebben. En dan niet iemand die alleen aandacht besteed aan maatschappelijke problemen die te maken hebben met de multiculturele samenleving, zoals nu vaak gebeurt. Maar een journalist die over dezelfde onderwerpen schrijft als witte journalisten, bijvoorbeeld over actuele nieuwsonderwerpen of over de literatuur.”
“Ik doe nog steeds wat met mijn liefde voor schrijven. Ik dicht momenteel in het Turks. Binnenkort verschijnt mijn eerste bundel in Turkije. Ook schrijf ik in het Nederlands, waaronder sketches voor bedrijfscabaret. Ik wil heel graag een boek maken over mijn jeugd in Arnhem. En het lijkt me nog steeds leuk om columns en portretinterviews te schrijven voor Nederlandse media. Zou ik me er thuis voelen?”

 

FacebookTwitterLinkedInEmail