Is constructieve journalistiek een ander woord voor politieke correctheid? (En nog drie verwijten van @SBergsma)

Constructieve journalistiek kan niet alleen maar op bijval rekenen. Integendeel zelfs, regelmatig nemen journalisten ‘Cojo’ stevig op de korrel. Deze week kwam de kritiek uit Berlijn, de standplaats van journalist Sietske Bergsma. Ze vroeg zich af: is constructieve journalistiek niet gewoon newspeak voor politiek-correct?

Sietske Bergsma is een bewonderenswaardig productieve journalist. Veelzijdig, bovendien. Als je door de maar liefst 120 pagina’s van haar dossier op TPO scrollt, valt op hoeveel genres ze hanteert. Ze levert commentaar, schrijft columns en interviewt een keur aan interessante stemmen, vooral uit Duitsland, waar ze woonachtig is.

In haar oeuvre vormt scepsis over wat zij ‘politieke correctheid’ noemt de rode draad. Ze hekelt bijvoorbeeld het ‘evangelie’ van diversiteit, dat aan de samenleving zou worden opgedrongen. En ze toont zich buitengewoon pessimistisch over de stand van zaken in de wereld, Europa in het bijzonder. Als we niet snel ingrijpen dan stort onze beschaving in elkaar.

Ze heeft zodoende een indrukwekkend publiek opgebouwd: ruim 6500 mensen volgen haar bijvoorbeeld via Twitter.

Deze week trok Bergsma van leer tegen constructieve journalistiek. Kijk maar:

Deze stelling verwoordt een breder gedragen gevoel over constructieve journalistiek, namelijk dat het vooral een progressieve aangelegenheid zou zijn. Iets voor journalisten die ‘wegkijken’ van problemen en de gevaren die onze maatschappij bedreigen niet durven te ‘benoemen’.

Laat ik niet naïef doen: ik snap best waar dat imago vandaan komt. Veel constructieve journalistiek is van progressieve snit. En als je zelf van een andere school bent dan ligt het label ‘politiek-correct’ al gauw voor de hand.

Toch zou ik willen betwisten dat constructieve journalistiek per definitie progressief is, of tot politieke correctheid zou leiden. Zo bevat een initiatief als het Geenpeil-referendum evengoed elementen van constructieve journalistiek. De manier waarop dit weblog een concreet handelingsperspectief aan de berichtgeving toevoegde is in zekere zin zelfs onovertroffen. Ook de manier waarop Wierd Duk in zijn journalistieke werk probeert een zo breed mogelijk spectrum aan stemmen aan het woord te laten bevat zeker constructieve elementen.

Toch snap ik Bergsma’s gedachte wel: Constructieve journalistiek heeft de schijn wat tegen. En CoJo staat natuurlijk nogal in de kinderschoenen.

In een paar vervolgtweets lichtte Bergsma haar kritiek nader toe. Ik zal haar verwijten een voor een behandelen.

VERWIJT 1: COJO LEIDT TOT GROEPSDENKEN

Het is een bekende valkuil voor journalisten: je kiest een bepaalde invalshoek en zoekt daar vervolgens je bronnen bij uit. In het geval van constructieve journalistiek komt daar nog een valkuil bij. Omdat je na grondig onderzoek doorvraagt in de richting van een oplossing, moet je extra alert zijn op de bezwaren die kleven aan de oplossing waar je bij uitkomt. En op eventuele alternatieve oplossingen.

Kokerdenken, tunnelvisie, groepsdenken, ligt dan algauw op de loer. Ik geloof echter niet dat deze valkuilen typisch zijn voor constructieve journalistiek. ‘Groupthink’ is kortom net zo’n groot gevaar voor – om maar wat stereotypen te gebruiken – conservatieve journalisten als voor hun progressieve vakgenoten.

Neem bijvoorbeeld de vermissing van studente Anne Faber. Toen duidelijk werd wie de verdachte was zag je drie reflexen: de voorzichtigheidsreflex (‘We weten nog niets, laten we niet speculeren.), de nuancereflex (‘Waarom al die aandacht voor deze zaak, er zijn wel meer vermissingszaken?’) en de verontwaardigingsreflex (‘Of deze verdachte u wel of niet schuldig is, hoe is het mogelijk dat ‘ie vrij rondloopt?’).

Voor al deze reflexen geldt dat het een open, vrije geest vergt om als journalist het juiste midden tussen sensatie en terughoudendheid te bewaren. Anders gezegd: de livebloggers van RTV Utrecht en die van NRC moeten zich niet afvragen wat hun publiek wil, of wat de redactie van hun verlangt, maar zelf een goede afweging maken. Dat zal best eens mis gaan, maar daar leer je vervolgens weer van.

Helemaal waar, kortom, dit verwijt, maar je gaat mij niet vertellen dat groepsdenken een groter gevaar is voor de redactie van De Correspondent als voor GeenStijl.

VERWIJT 2: COJO BETEKENT EEN KNIEVAL VOOR JE PUBLIEK

Ik moet toegeven dat ik het wel eens aardig vindt om dit verwijt te horen. Veel vaker redeneren criticasters vanuit de aanname dat ‘de mensen’ juist niet op constructieve berichtgeving zitten te wachten. Maar over wat voor ‘willen’ hebben we het hier?

Ik denk dat je een onderscheid moet maken tussen ‘wat mensen willen’ als consument in een winkel en ‘wat mensen willen’ als burger in een democratische rechtsstaat.

Ik ben het met deze tweet eens, voor zover Bergma’s kritiek over dat eerste ‘willen’ gaat. Je moet je publiek niet als verzameling consumenten benaderen, maar als burgers in een democratie. En het is je taak om die burgers te voorzien van de juiste informatie om hun bestuurders en vertegenwoordigers te kiezen en te controleren.

Het gesprek over constructieve journalistiek draait volgens mij juist om de zoektocht naar hoe die taak beter te vervullen.

  • Door bijvoorbeeld wel een kritische, maar geen bij voorbaat cynische houding aan te nemen ten opzichte van politici. (En, zeker in de week van het regeerakkoord, even kritisch op de oppositie als op de coalitie).
  • Door burgers andere oplossingen voor maatschappelijke problemen voor te houden dan in het politieke discours op dat moment bon-ton zijn, en door burgers actief te betrekken bij het zoeken naar nieuwe beleidsrichtingen.
  • En door politici eens andere vragen voor te leggen dan de vormkritiek (waarom wil partij X niet met Y) waar ze zich met hun woordvoerders intussen allang voor hebben gewapend.

Voor elk van die elementen die ik in de alinea hierboven genoemd heb, zijn met gemak een aantal conservatieve en progressieve voorbeelden te bedenken. Al is het soms nog niet zo eenvoudig om een verhaal of project van zo’n label te voorzien. De Correspondent pakte vorige week uit met de Schuldvrij-week, om aandacht te vragen voor misstanden in de incasso-industrie. Eerder deed het platform dat met de thema’s privacy en banken. Zijn dat nu linkse of rechtse thema’s? Zeg het maar.

En of je nu links of rechts bent,  je hebt als journalist je creativiteit juist met zulke constructieve invalshoeken hard nodig.

VERWIJT 3: WIE DENKEN JULLIE EIGENLIJK DAT JULLIE ZIJN?

Over dit laatste verwijt kan ik kort zijn: dat bepalen ‘mensen’ natuurlijk zelf. Wie geen publiek weet te bereiken kan beter voor zichzelf een dagboek gaan bijhouden.

De mensen die Bergsma’s journalistiek weten te waarderen (er ook voor betalen, zo nu en dan) ervaren haar werk als dermate nuttig dat ze haar in staat stellen dat werk te doen. Als ik door haar oeuvre blader, zie ik een journalist die zich juist zeer bewust is van de rol die haar publiek haar toedicht. Die bovendien via onder meer Twitter de hele dag met haar publiek in gesprek is, een ander belangrijk element van constructieve journalistiek.

Wat die elementen van constructieve journalistiek nu precies zijn en hoe je daar criteria voor kunt opstellen, daar zal ik op deze plek nog veel over schrijven.

Maar, ter geruststelling en voor alle duidelijkheid: ook een student die aan het eind van de opleiding prima kan beargumenteren waarom constructieve journalistiek geen hout snijdt, krijgt nog een diploma. Als hij of zij maar echt tegen constructieve journalistiek fulmineert en niet tot een onvolledig beeld daarvan.

We confronteren studenten niet met deze opvatting om hen ervan te overtuigen, maar om hen aan te zetten tot nadenken over de rol die ze straks als journalist zullen aannemen. Op een manier die bij hun talent, overtuigingen en persoonlijkheid past.

 

FacebookTwitterLinkedInEmail