Veel gaat beter in ontwikkelende wereld. Waarom krijgen wij dat niet te zien?

In een kwart van de krantenberichten over armoede in ontwikkelingslanden gaat het over slecht bestuur, maar initiatieven van lokale mensen om het te verbeteren worden amper belicht. Ook laten journalisten nauwelijks zien welke vooruitgang afgelopen jaren is geboekt, concludeert mediawetenschapper Mirjam Vossen die deze maand promoveerde op het onderwerp.

Ze onderzocht 1000 artikelen in 16 kranten in Nederland, Vlaanderen en het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast analyseerde ze advertenties en campagnes van ngo’s in kranten, tijdschriften en op tv. “Weten wat de gewone Nederlander meekrijgt over armoede in ontwikkelingslanden”, was haar doel.

Mirjam Vossen (1965) is mediawetenschapper en journalist. Ze heeft promotieonderzoek gedaan naar de berichtgeving in kranten en advertenties van ontwikkelingsorganisaties over armoede in ontwikkelingslanden. Als journalist schrijft ze veel over ontwikkelingssamenwerking, framing en mediabeeldvorming.
Fotograaf: Marloes Coppes.

Vossen – die zelf ook als journalist werkt – schuift haar mening niet onder stoelen of banken. Ze maakt zich zorgen, zo is te lezen op haar website. “Mensen denken dat armoede in ontwikkelingslanden erger is geworden en dat de wereld gewelddadiger is dan ooit. Dat staat haaks op de werkelijkheid.”  En: “Ik ben bezorgd. Het is vooral de – vaak scheve – mediawerkelijkheid die bepaalt hoe wij de wereld ervaren en waar we onze standpunten op baseren.”

We bellen Vossen op voor een interview over haar onderzoek.


Je hebt 1000 artikelen onderzocht. Wat is je belangrijkste conclusie?

“In de artikelen worden drie frames veel gebruikt: het slecht bestuur-frame, het slachtofferframe en het vooruitgangsframe. Alle drie deze frames voornamelijk in een negatieve context; we krijgen te zien wat er niet goed gaat. Opvallend is dat de oorzaken van armoede vooral in ontwikkelingslanden worden gezocht. Armoede zou veroorzaakt of verergerd worden door slecht bestuur, terwijl westerse politieke beslissingen of consumptiepatronen er maar weinig mee te maken zouden hebben. De oplossingen voor al die problemen daarentegen zouden volgens veel berichten uit het Westen komen.”

Ligt dat volgens jou aan de koloniale tijd, die nog steeds doorklinkt in het heden?
“Ik vind het zelf te stellig, maar ik kom er wel elementen van tegen. In het koloniale discours worden ontwikkelingslanden neergezet als primitief en achterlijk ten opzichte van het rijke, ontwikkelde westen. Een archetype is ‘de gevaarlijke wilde’ die onbeschaafd en moordzuchtig is, een kannibaal met speer in de hand. In kranten zie ik dit stereotype soms een klein beetje terug komen. Een voorbeeld daarvan zijn dictators die geen enkel moreel ethisch besef lijken te hebben. En de aanwezigheid van corrupte elites is bijna een cliché in kranten.”

En ontwikkelingsorganisaties, dragen die een ander beeld uit?
“Soms zie ik in hun communicatie-uitingen elementen van ‘de nobele wilde’, het koloniale archetype van een goed en lief persoon uit een ontwikkelingsland. Onschuldige vrouwen en kinderen worden regelmatig gebruikt in de advertenties. Verder blijkt dat deze organisaties – net zoals de krant –  veel gebruik maken van het slachtofferframe en het vooruitgangsframe. Daarnaast komt het sociale rechtvaardigheidsframe vaak voor. Over slecht bestuur zwijgen ze.”

Journalisten hebben het juist veel over falend bestuur – een kwart van de berichten die je onderzocht hebt gaat daarover. Wie heeft er nu gelijk?
“Ik snap dat ngo’s ervoor kiezen om het te mijden, maar het lijkt me beter om verhalen te laten zien van ‘goed bestuur’. Dat is waar media een steek laten vallen. Ik adviseer journalisten om er ook over te  berichten en om aandacht te besteden aan positieve ontwikkelingen, want het gaat op veel fronten beter in ontwikkelingslanden. Zo zijn de extreme armoede en kindersterfte gehalveerd sinds 1990. Inmiddels heeft 9 van de 10 mensen in de wereld schoon water. In Malawi, een land waar ik regelmatig kom, is de sterfte aan aids in tien jaar tijd met de helft gedaald.”

Hoe kan het dat we dat nooit te horen krijgen?
“Ik heb gesproken met 54 journalisten die regelmatig over ontwikkelingslanden schrijven. Een ruime meerderheid weet dat extreme armoede in ontwikkelingslanden afgelopen decennia is gedaald, maar over dit genuanceerde verhaal wordt relatief weinig geschreven. Vooral nieuwswaarde, actualiteit en de beschikbare bronnen zijn van invloed op de gekozen invalshoek.

Op je site beschrijf je dat het publiek een ander beeld heeft van ontwikkelingslanden. In welke opzicht?
“Het beeld van het publiek heb ik onderzocht in Engeland. De meeste Britten denken dat armoede de afgelopen decennia even erg is gebleven of erger is geworden, en dat overheden in ontwikkelingslanden corrupt zijn of disfunctioneren. Verder zijn ze niet echt bezig met de rol van westerse bedrijven en organisaties bij het ontstaan of voortbestaan van armoede in ontwikkelingslanden. Het komt overeen met de geringe aandacht van media over deze onderwerpen. Ik verwacht dat dit in Nederland niet heel anders zal zijn.“

Ligt het ook aan de media?
“Het is lastig te zeggen in hoeverre media de publieke opinie beïnvloeden en visa versa. Mijn onderzoek geeft geen uitsluitsel. Wel constateer ik dat er een duidelijke wisselwerking is, en media lijken hierin een sterkte kracht. Het publiek geeft zelf bijvoorbeeld aan dat media invloed hebben op hun beeld over ontwikkelingslanden.”

Kom je ook goede voorbeelden tegen?
“Zeker, het is niet alleen maar kommer en kwel. Stephanie Bakker schreef deze maand een interessante reportage voor Trouw over de opkomende mode-industrie in Kinshasa. Het maakt deel uit van het journalistieke project ‘Future cities’ over innovatie en creativiteit in opkomende metropolen in ontwikkelingslanden. Een ander voorbeeld is een Volkskrant-artikel van Carlijne Vos over initiatieven in Senegal om jongeren een opleiding en werk te bieden en zo migrantenstromen te stoppen. Toch is, alles bij elkaar opgeteld, het beeld in kranten te negatief.”  

 

FacebookTwitterLinkedInEmail