Joris Luyendijk: Echte Vernieuwing

Stel je een bedrijfstak voor die op even dramatische wijze aan het instorten is als op dit moment de krantenjournalistiek, en stel je vervolgens voor dat die bedrijfstak nog altijd eigenlijk niet innoveert. Hoe zou de journalistiek schrijven over die bedrijfstak?
Vernietigend.

Hoe worden wij weer relevant voor nieuwe generaties kijkers, lezers en luisteraars?

Maar dat is natuurlijk niet hoe de journalistiek over zichzelf bericht. Men komt tot volkomen terechte klachten over de dominantie van contentparasieten als Facebook en Google. Men komt tot even begrijpelijke en juiste waarschuwingen over de toekomst van de democratie zonder een sterke, vrije en onafhankelijke pers. Maar waar men niet of nauwelijks toe komt, is de vraag: hoe worden wij weer relevant voor nieuwe generaties kijkers, lezers en luisteraars?

Zelf denk ik dat journalisten zich moeten afvragen hoe hun vak eruit had gezien als eerst het internet en pas eeuwen daarna de drukpers, televisie en radio waren uitgevonden. In dat geval zou journalistiek vanaf het begin veel en veel interactiever zijn geweest, want contact met publiek is super makkelijk via internet. Journalisten zouden niet langer een kleine rolodex met vaste contacten afwerken, maar zich openstellen voor bronnen die zichzelf aanbieden – want ook dat is zeer laagdrempelig geworden.

Journalistiek zou ook gebruik maken van de lezers als panel en met ICT erachter komen wat ze wil weten (klinkt bizar als je ’t voor het eerst hoort, ik weet het). De journalist zou een gastheer (gastmens?) zijn die naast het beoefenen van de gevestigde journalistieke genres een gemeenschap bouwt van geïnteresseerde buitenstaanders en idealistische insiders met de nodige kennis. Die hun vragen stelt als: welke uitleg komt niet door? Wat merken jullie op sociale media als jullie ons verhaal delen? In zo’n journalistiek zijn de reacties geen toiletrol vol gescheld onderaan het artikel maar een prachtig gecureerd tweede deel van dat artikel.

Zelf ben ik nu een kleine vijftien jaar over dit alles aan het nadenken en experimenteren. Dat is geweldig leuk en interessant, en uit de feedback op mijn werk leid ik af dat de toekomst wel eens zou kunnen liggen bij wat nu constructieve journalistiek heet – of bij een verder ontwikkelde variant daarop. Een prachtig voorbeeld is het nieuwe project op De Correspondent over dementie, waarbij lezers bij wie de ellende net is begonnen een audiodagboek bijhouden, als aanvulling, illustratie en aanjager van de zoektocht van de journalist naar alle aspecten van deze ziekte. Dat is echte vernieuwing, want zoiets kan gewoon niet op papier.

Mensen zijn gewoontedieren en gevestigde organisaties bestaan bij de gratie van continuïteit en hiërarchie.

Of er in die toekomst nog de nu bekende kwaliteitsmedia zullen zijn, vraag ik me intussen wel af. Mensen zijn gewoontedieren en gevestigde organisaties bestaan bij de gratie van continuïteit en hiërarchie. Als jij bent opgeklommen bij jouw krant of omroep omdat je in de oudestijljournalistiek heel goed was, zul je niet staan te springen bij het idee dat je nu heel nieuwe vaardigheden nodig hebt – wie weet zijn anderen daar wel veel beter in. Dan liever een ‘verjongingsoperatie’ voor de bühne waarin je mensen macht geeft die geen bedreiging voor je zijn – en ook jong, dus niemand kan er iets van zeggen.

Dit is het informatietijdperk, dus het uitsterven van goede, nieuwsgierigheid bevredigende journalistiek is  net zo waarschijnlijk als het uit de mode raken van de steen tijdens het stenen tijdperk. Maar wat gaat die vernieuwing langzaam.

Joris Luyendijk werkte als journalist voor NRC, NOS en The Guardian. Hij schreef onder meer Het zijn net mensen over het Midden-Oosten en Dit kan niet waar zijn over de Londense City-bankiers.

FacebookTwitterLinkedInEmail