“Bullshit”

Te positief, te paternalistisch, of zelfs te populistisch. Het idee dat journalisten méér moeten doen dan alleen de werkelijkheid zo waarheidsgetrouw mogelijk weergeven, roept veel weerstand op. Tijd voor een discussie tussen een gedreven voorvechter en een felle tegenstander. Om het constructief te houden, schuift ook een meer gematigde stem aan.

Het is voor het eerst dat Elma Drayer en Karel Smouter elkaar persoonlijk ontmoeten. Tussen de 59-jarige publiciste en de 33-jarige adjunct-hoofdredacteur van De Correspondent gaapt een generatiekloof. Drayer leerde het vak volgens de ‘ouderwetse journalistiek’ van Vrij Nederland met verhalen van 15.000 woorden. ‘Hoeveel minuten leestijd is dat?’, zou de vraag zijn bij de correspondenten aan wie Smouter leiding geeft.

Drayer repte in haar column in de Volkskrant van ‘dekselse ventjes’ wier constructieve inspanningen geregeld op haar lachspieren werken. Ze noemt hun initiatief overigens wel sympathiek. Het medium heeft meer aanhangers onder ervaren collega’s.

Yvonne Zonderop (61) bijvoorbeeld – voorheen adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, nu freelance journaliste en bestuurder – volgt De Correspondent nauwgezet. In de jaren negentig al initieerde zij ‘De Agenda’s’ in haar krant. Deze journalistieke projecten draaiden om het zoeken naar oplossingen voor maatschappelijke problemen samen met lezers en experts.

,,Nou, nou, nou, nou,’’ klinkt het geregeld uit Zonderops mond als de discussie over het hoe en waarom van constructieve journalistiek wat hoger oploopt.

Stelling 1: Journalisten zijn zure zeikerds; ze houden de vooruitgang van het vak tegen

Drayer: ,,Ze zitten er natuurlijk tussen. En door de goede cao’s blijft een deel ook hangen. Er is niets zo erg als een uitgebluste journalist die geen zin meer heeft. Maar ik ken ook erg goede journalisten die tot het eind toe gedreven blijven.’’

Smouter: ,,Het heeft volgens mij ook niet zozeer met leeftijd noch met traditionele media te maken. Bij de online media zit ook genoeg zuur. Blogs als The Post Online of Jalta bijvoorbeeld bedrijven vooral reactiejournalistiek. Ze kijken zo’n beetje naar wat er in de wereld gebeurt en schrijven daar afbrekende commentaren bij. Daardoor krijgen journalisten dat zure imago.’’

‘Bij De Correspondent zien we onze journalisten meer als gespreksleiders’

Zonderop: ,,Wat je wel moet constateren, is dat het maken van een krant een militaire operatie is, die weinig fluïditeit en creativiteit toestaat. Door dit taaie productieproces wordt er weinig nagedacht over vooruitgang. Het heeft bijvoorbeeld heel lang geduurd voordat redacties doordrongen raakten van de gevolgen van de komst van het internet. Hierdoor veranderde de machtsbalans tussen de producent en de consument wezenlijk. De krant was niet langer de redactie; de krant dat zijn de lezers.’’

Stelling 2: Een journalist moet zijn oor niet laten hangen naar het publiek

Zonderop: ,,Dankzij het internet heeft de lezer de kans om terug te praten. En internet geeft de lezer ook de mogelijkheid om zelf andere bronnen te raadplegen. Media zijn hun informatiemonopolie kwijtgeraakt. De positie van de journalist is hierdoor echt veranderd.’’

Drayer: ,,Een journalist is er natuurlijk voor de lezer, maar dat wil niet zeggen dat je alleen maar op moet schrijven wat hij wil lezen. Je allereerste taak is het beschrijven van de werkelijkheid.’’

Smouter: ,,Ik heb het liever niet over lezers, maar over leden, over mensen met wie je in gesprek bent. Bij De Correspondent zien we onze journalisten dan ook meer als gespreksleiders. Dat is voor mij de ultieme consequentie van die verschuiving van de machtsbalans van producent naar consument. De journalist bakt het brood, maar we nodigen de klant uit in de bakkerij om mee te denken over de ingrediënten.’’

Drayer: ,,Ik vind dat dus echt bullshit. Ik wil niet dat mensen zich bemoeien met mijn broodje, want dat is mijn werk. Het is een zwaktebod als je voor je informatieverzameling de hulp inroept van je lezers. Mensen die zichzelf via internet aanmelden, zijn een onbetrouwbare bron, want dat is selectief. Dit is een heel principieel punt. Je kunt pas echt een beeld van de werkelijkheid geven als je zo volledig mogelijk probeert te zijn.’’

‘Mensen die zichzelf via internet aanmelden zijn een onbetrouwbare bron, want dat is selectief’

Zonderop: ,,Dat ben ik met je eens, maar ik zou het niet als of-of willen zien. Internet kan je een rijkdom aan informatie opleveren. In je eentje op reportage krijg je dat nooit voor elkaar. Als je die bronnen die je verkrijgt via internet niet als maat neemt, dan hoeft het geen probleem te zijn. De journalist blijft de mediator. Hoor en wederhoor, dat staat voorop. Je blijft als journalist de regisseur en de hoeder van de kwaliteit van het product.’’

Smouter:  ,,Die journalistieke basis onderschrijf ik. Leden verrijken onze verhalen. Soms is dat nieuwsgierigheid, soms is dat expertise en soms dat zijn hele concrete ervaringen.’’

Zonderop: ,,Journalisten zijn geneigd om vast te houden aan een bepaalde methode, doordat er zoveel onzekerheid is over wat nou goede journalistiek is. Het gaat altijd om de spirit waarmee je het doet. De journalistieke spirit is dat je probeert te achterhalen wat er nu eigenlijk gebeurt, zo waarheidsgetrouw mogelijk. Dat streven mag je nooit verlaten.’’

Drayer: ,,Ik vraag me af of je daar zo’n vage democratische constructie met leden voor nodig hebt.’’

Stelling 3: Het zoeken naar oplossingen is geen journalistieke taak

Drayer: ,,Ik vind het echt heel erg zorgelijk als dat de norm zou worden. Als je als journalist wilt dat er iets verandert in dit tranendal, dan wordt je blik vertroebeld. En ik vind het ook heel populistisch. Je voegt je dan naar de burgerlijke hang naar goed nieuws.’’

Zonderop: ,,Ik denk wel dat de journalistiek een extra maatschappelijke rol heeft gekregen. De kerk, de vakbewegingen en andere instellingen die vroeger medieerden, doen dat nu minder. Een medium dat als relatief onafhankelijk wordt beschouwd, kan juist die taken overnemen. Daarom denk ik dat journalisten ook kunnen meehelpen bij het zoeken naar oplossingen. En online werkt het nog veel beter, want dan kun je meteen interacteren met je publiek.’’

Smouter: ,,Het is ook een vraag waar lezers mee komen. Hoe nu verder? Ik zou het enigszins hautain vinden om er niets mee te doen. Maar ik zeg ook: je moet eerst het één doen, en dan het ander. Je moet eerst uitzoeken hoe de wereld in elkaar zit – en daar moet je niet naïef in zijn, je moet niet over problemen heenstappen – en vervolgens inderdaad doorvragen in de richting van een oplossing.’’

Drayer: ,,But why? Daar hebben we dominees voor, intellectuelen, filosofen…’’

Zonderop: ,,Nee joh, de kerken zijn leeg.’’

Smouter: ,,Niemand luistert meer naar die dominees.’’

Zonderop: ,,Je kunt als journalist met je journalistieke methodes op zoek gaan naar oplossingen.’’

Drayer: ,,Dat is toch gewone journalistiek?’’

Smouter: ,,Veel journalisten hebben de neiging zich vooral op de uitzonderingen te richten, op waar het niet goed gaat. De oplossingsgerichte vraag is een extra tool. Hij zit vaak onderin de journalistieke gereedschapskist. Wij vragen aan onze journalisten om hem bovenop te leggen en hem niet te vergeten. Niet alleen vragen naar hoe het fout is gegaan, maar ook naar hoe het beter kan bijvoorbeeld.’’

Drayer: ,,Dat is gewoon het journalistieke handwerk. Ik begrijp niet waarom een nieuwe, ingewikkelde term nodig is voor iets wat heel normaal is.’’

FacebookTwitterLinkedInEmail