Omdenken

Traditionele journalistiek jaagt het wij-zij-denken aan, stelt Bart Brandsma. Maar het kan anders. Depolarisatie is mogelijk als journalisten niet op de polen focussen maar op de vraagstukken van het midden.


Ik kan erop wachten. Bij al mijn lezingen, workshops of trainingen in polarisatiestrategie en -management komt vroeg of laat die ene onvermijdelijke vraag naar voren: komt het niet gewoon door de media, door de polariserende journalistiek, dat we met z’n allen opgescheept zitten met dat wij-zij-denken? Kijk eens naar hoe Jeroen Pauw zijn vragen stelt, hoe De Telegraaf de nuance mist, hoe PowNews zich misdraagt, hoe vloggers hun podium pakken, hoe Stand.nl simplificeert, hoe Nieuwsuur of het NOS Journaal sprekers prikkelt tot het doen van heftige uitspraken. Het wij-zij-denken wordt toch vooral door de media veroorzaakt?

Mijn antwoord op deze vraag is nee. ‘Wij-zij-denken’ kent een dynamiek die ook bestaat zonder enige inmenging van de media. Het is zaak om eerst die dynamiek te doorgronden, voordat we ook maar iets zeggen over de rol of verantwoordelijkheid van de journalistiek.

Polarisatie – wij-zij-denken – is een normaal verschijnsel. We denken in categorieën, waarmee we de wereld inkaderen. Met tal van indelingen plaatsen we de ander, en positioneren we onszelf. We formuleren tegenpolen: man tegenover vrouw, moslim versus christen, stedeling tegenover provinciaal, elite tegenover het volk, rechts versus links. De lijst is eindeloos. Het is in eerste instantie niet een verontrustend verschijnsel, maar in zijn consequenties kan het denken in wij-zij de samenleving keihard raken. Aanslagen en terreur maken dat koud en onverbiddelijk duidelijk.

Basiswetten

Als polarisatie lange tijd wordt gevoed met brandstof, gaan mensen ernaar handelen en denken. In de dynamiek van polarisatie kunnen we drie basiswetten onderscheiden:
1. Polarisatie is een gedachteconstructie over twee identiteiten die tegenover elkaar worden geframed; het is wij-zij-denken.
2. Polarisatie heeft brandstof nodig om te kunnen blijven bestaan – zonder brandstof gaat het frame verloren – en die brandstof bestaat uit positieve of negatieve uitspraken over de identiteit van de tegenpolen.
3. Polarisatie is een gevoelsdynamiek waarbij feiten en redelijkheid een gering gewicht hebben.
Hier hebben we het mee te doen.

Op deze wetten acteren vijf rollen. In de eerste rol is daar de pusher. Dit is de figuur die in de polarisatie op een van de beide polen, de extremen, gaat staan. In de polarisatie ‘eigen volk’ versus ‘de moslims’ is dat in Nederland Geert Wilders, in de VS is het Donald Trump. De pusher levert brandstof. Dat is feitelijk een heel eenvoudige taak met een doeltreffend effect; negatieve etiketten plakken op de identiteit van de tegenpool. Bijvoorbeeld: ‘Die vluchtelingen zijn testosteronbommen’. Maar let op, hetzelfde doen de pushers op de tegenpool. In het linkse of ‘multiculti’-kamp worden even negatieve etiketten gebezigd over de identiteit van PVV’ers. Het zijn in hun ogen bijvoorbeeld allemaal ongeschoolde, beperkte Blut und Boden-figuren, die humaniteit uit het oog hebben verloren.

Dit type retoriek is uitstekende brandstof. Zowel op de linkerpool als op de rechter tref je pushers die 100 procent zijn overtuigd van het eigen gelijk. Let op, niet 98 procent of 92 procent. Nee, het is een moreel gelijk zonder een rafelrandje van twijfel.

Naast pushers staan ook joiners op. Dit zijn volgers die zich niet zo extreem wensen op te stellen als de pushers, maar die evengoed hebben besloten dat ze voor de ene of de andere kant moeten kiezen. Ze kiezen partij, verklaren zich tot medestander van een van de polen, en hebben van dat moment af ook tegenstanders.

The silent

Alleen in het midden wordt de druk van het polarisatiedenken weerstaan. In het midden staat een groep, die niet wordt gehoord, die niet zichtbaar lijkt: the silent. Het zijn soms de onverschilligen die zich daar weten op te houden, maar ook evengoed de genuanceerden en betrokkenen. Kenmerkend is dat ze vanuit het ‘grijze’ midden geen stempel van betekenis kunnen drukken.

Met de vierde rol in het spel wordt het uiterst interessant. In elke polarisatie staat de figuur van de bruggenbouwer op. Die wil niet anders dan herstel van verhoudingen en relaties. Met in het achterhoofd dat er meer begrip moet komen voor de ander, gaat de bruggenbouwer in de weer met het verbeteren van het gesprek tussen de polen. Als extreemrechts iets zegt over ‘achterlijke vluchtelingen’, dan zal de bruggenbouwer reageren met een tegenverhaal; een counternarrative heet dat in anti-radicale kringen. Als een linkse rakker iets zegt over achterlijk ‘eigen volk eerst’-figuren, zal de bruggenbouwer hun terechte economische of huisvestingszorgen onder de aandacht brengen.

De bruggenbouwer bedenkt tegenverhalen en verschaft podium aan eenieder die zich roert. Daarmee faciliteert/stimuleert de bruggenbouwer de polarisatie (!). Hij of zij doet iets waar de pushers zich in verheugen. Hij levert brandstof door op goedbedoelende toon mee te gaan in het praten over die identiteiten waar ook de pusher al graag over spreekt; de identiteit van de vluchteling, de Nederlander, de Turk, dan wel de Turkse Nederlander… Elk gepraat over identiteit drijft samenlevingen uiteen. Dat is brandstof. Het is de tragiek van de bruggenbouwer dat hij daaraan bijdraagt.

Het is de tragiek van de bruggenbouwer dat hij brandstof levert voor de polarisatie

Voeg daar dan de media aan toe en de lijst leveranciers van brandstof is volledig. Pushers leveren kwaadschiks brandstof, bruggenbouwers doen dit te goeder trouw en de journalist zal vanuit een aangeleerde aanpak altijd verkiezen de tegenpolen te tonen, vanuit het idee dat daarmee het hele spectrum aan meningen wordt getoond (hoor en wederhoor). Dat laat in het schema van mijn denkkader het zichtbaarheidslijntje ook duidelijk zien. De spotlight in de media kunnen we opzoeken door vanuit het midden in toenemende mate te radicaliseren. Naarmate we meer naar buiten gaan, verkrijgen we ook meer identiteit. Dit is een dominante drijfveer. Het is niet op de eerste plaats de aantrekkingskracht van de ideeën van de pushers die ons stuurt, als wel de behoefte aan een uitgesproken eigen positie in het krachtenveld dat polarisatie heet. Het is een van de essenties van polarisatiedruk.

Zondebok

Een vijfde rol (na pusher, joiner, the silent, bridge builder) komt in beeld als de polarisatie toeneemt; de scapegoat. De zondebok in goed Nederlands. Extreme polarisatie houdt in dat het zwart-witdenken toeneemt. De wereld wordt verdeeld in twee kampen. Verzet en NSB’ers, Hutu’s en Tutsi’s, katholiek en protestant. Kenmerkend in elk van deze situaties is dat een middenpositie onmogelijk is. Want wie niet kiest, wordt zondebok. Extreme polarisatie kenmerkt zich door extreme uitspraken, maar vooral doordat het midden, het niet kiezen, onmogelijk wordt gemaakt.

Dat is precies waar bijvoorbeeld de pushers van Daesh of IS op uit zijn. Haat ons of vecht met ons mee. Maar kies, hoe dan ook! De vijand is de tegenpool, maar voor de pusher is er maar één doelgroep: het midden. Daesh treft bij voorkeur het midden (Zaventem, Maalbeek, Bataclan), niet enkel hun tegenpool (Charlie Hebdo of het Brusselse Joods museum). En is het niet het stille midden dat tot zondebok wordt gemaakt, dan is het zeker de bruggenbouwer die dat lot treft. De zondebok wordt namelijk uitsluitend in dat midden gezocht. Dat is een wet. Bij uitstek zitten daar de kandidaten om als zondebok te eindigen; de politie, burgemeesters, het OM, de docent en… jawel, de journalist. Het zijn de beroepsgroepen die een ‘neutraal’ midden proberen te houden. Zondebokken horen onlosmakelijk bij het fenomeen polarisatie.

Dit geheel geeft aan waar we het moeten zoeken als we willen depolariseren in de samenleving. Als we niet in een extreme polarisatie willen terechtkomen, moeten we niet zozeer de pushers bestrijden, als wel het midden groothouden. Dat vergt een omdenken van ons reguliere optreden. Er bestaat een route die depolariseert. Ik constateer op dit punt zowel een enorm verlangen om andere wegen in te slaan, alsook een grote onmacht onder professionals. En voor elke beroepsgroep is de worsteling net even anders.

Voor de journalist is het de sprong naar constructieve journalistiek, weg van de traditionele journalistiek. De traditionele journalist pur sang denkt in tegenpolen, bespeelt bij elke kwestie de morele ondertoon van goed en fout en zoekt daders versus slachtoffers, focust op de identiteiten van de tegenpolen. Hij levert brandstof. Hij polariseert door framing van de pushers over te nemen, en acteert heel gemakkelijk op de uitersten van het zichtbaarheidslijntje. Hij rekruteert uitsluitend interviewkandidaten op de uitersten. En de eigen positie is die boven de partijen, daar waar ook de bruggenbouwer zich positioneert. Gehuld in de waan van objectiviteit en neutraliteit. De traditionele journalistiek is daarmee niet de grote veroorzaker, maar wel een aanjager van polarisatie.

De traditionele journalistiek is niet de grote veroorzaker maar aanjager van polarisatie

De constructieve journalistiek focust niet op de polen, maar op het midden. Daar rekruteer je hele andere zegslieden en je belicht niet de identiteitsonderwerpen van de pushers, maar de vraagstukken van het midden. Bij wijze van voorbeeld: je focust niet op de vraag ‘Is de politie goed of fout?’, in een item over etnisch profileren, maar op het vraagstuk hoe je als agent je oordeelsvermogen inzet, zonder groepen in de samenleving van je te vervreemden. Het zijn de vragen die voor het grote midden van belang zijn. Vraagstukken waar mensen naar verlangen, met gezichtspunten die hoop bieden, eerder dan de ferme taal van politici en tal van opiniemakers.

Game changers

Er zijn daarnaast nog twee andere game changers, behalve de doelgroepverandering (van de polen naar het midden) en de verandering van onderwerp naar vraagstuk. Het is zaak om de toon te veranderen, van opinie naar onderzoek, van standpunten naar de juiste vragen. En belangrijker nog is een verandering van positie; niet objectief en neutraal, maar een sterke positie in het midden zelf: connected en onafhankelijk. De constructieve journalist hangt er niet boven, maar zit er in, onder die twee professionele voorwaarden: hij is connected én onafhankelijk. Het zijn wat mij betreft de constructieve varianten van de oude noties ‘objectief en neutraal’ die op dit moment dienen als makkelijke verdediging van traditionele rolopvattingen, waarin de journalist verantwoordelijkheid kan blijven ontlopen.
’Connected en onafhankelijk’ zijn de constructieve varianten van de oude noties ‘objectief en neutraal’

Foto: Jaap Schuurman
Foto: Jaap Schuurman
Bart Brandsma schreef Polarisatie: inzicht in de dynamiek van wij-zij-denken (uitsluitend te bestellen op www.polarisatie.nl). Hij werkt als filosoof, adviseur en trainer op het vlak van conflict en polarisatie voor tal van opdrachtgevers in Nederland en elders in Europa.

Constructieve journalisten zijn niet veroordelend, vaak mild ingesteld. Maar zij zijn wel intens betrokken, netwerkend en onderzoekend, en uiteindelijk onafhankelijk. Gedreven om een maatschappelijk relevant vraagstuk op te lossen, waarin de schuldvraag niet altijd de meest interessante is. Hoe zit het in elkaar? Wat kunnen we nu leren? Maar ook: hoe moet het verder? Ik zie overigens met dit drietal journalistieke kernvragen een prachtige klik met een andere tak van sport die me lief is; de filosofie, waar het vinden van de juiste vraag al eeuwen leidend is.

FacebookTwitterLinkedInEmail