Wat is er nu zo anders aan ‘constructieve’ journalistiek?

Wat is nu wel constructieve journalistiek, en wat juist niet? Waar begint en waar eindigt het? Op deze site proberen we op dat soort vragen een antwoord te bieden.

Deze week beantwoord ik een vraag van Ward Wijndelts, hoofdredacteur van Vrij Nederland: is constructieve journalistiek niet ‘gewoon’ wat elke serieuze journalist doet?

Je hoort het nog steeds wel eens voorbijkomen: ‘mensen zitten niet op goed nieuws te wachten. Er is geen markt voor.’

Gelukkig leven we intussen in een tijd waarin het succes van elk individueel artikel vrij gemakkelijk te meten is. Je kunt als journalist dus zelf zien wat het effect van een bepaalde invalshoek op je bereik is.

In de vier jaar die ik bij De Correspondent werkzaam was meende ik het tegenovergestelde te bespeuren: hoe meer inzicht, perspectief en houvast een artikel lezers geeft, hoe groter het bereik.

Zo slaagt journalist Heiba Targhi Bakalli van De Correspondent er met regelmaat in met haar constructieve verhalen over dementie een groot online publiek naar haar artikelen te trekken.

Artikelen die niet per se een actueel, laat staan een sexy onderwerp hebben: ‘ouder worden’.

Lees bijvoorbeeld hier haar laatste pennenvrucht, die in een dag tijd door duizenden lezers werd gevonden, gelezen en gedeeld:

Toen ik het stuk, inclusief de likes en shares op Twitter aan mijn volgers toonde, reageerde Ward Wijndelts, hoofdredacteur van Vrij Nederland, met een nieuwsgierige tegenvraag:

“Wat is eig. verschil tussen stuk als dit en artikelen die sinds jaar & dag op wetenschapspagina’s staan? ”Dr. x zegt na onderzoek dat y toppie is.”

Hij stuurde ook een plaatje mee, een oud artikel uit De Telegraaf:

Zat hier niet ook gewoon een ‘zesde W’ in?

(Met ‘de zesde W’ doelde hij op de vraag Wat nu?, die in constructieve journalistiek wordt toegevoegd aan de traditionele vijf vragen van de journalistiek: wie, wat, waar, wanneer, waarom.)

Tsja, goede vraag…

Ik vond het een prikkelende vraag: hoe anders is constructieve journalistiek nu helemaal? We raakten erover aan de praat op Twitter en ik beloofde er later nog eens op terug te komen. Bij deze:

1. Het fenomeen is veel ouder dan de term

Al ver voor de term ‘constructieve journalistiek’ werd gemunt, bestond er natuurlijk zoiets als constructieve journalistiek. Alleen droeg het die naam nog niet. Waar het de aanhangers van de term om te doen is, is om meer aandacht te vragen voor een aspect van het journalistieke bedrijf.

Zoals andere collega’s om meer aandacht voor fact-checking of verhalende journalistiek vragen.

2. Constructieve journalistiek is kritisch, maar nooit sceptisch

Maar dan de vraag: is het door Wijndelts aangehaalde voorbeeld uit De Telegraaf een voorbeeld van constructieve journalistiek avant-la-lettre?

De toonzetting van het artikel is dat in elk geval wel. Toch is het overnemen van een persbericht dat bij een proefschrift wordt verzonden juist géén goed voorbeeld van constructieve journalistiek.

De enige reden dat het Telegraaf-artikel positief van toon is, is dat het proefschrift een positieve relatie heeft gevonden tussen artsen en apothekers die samenwerken en aan de andere kant de factoren kwaliteit en kosten. Als de conclusie had geluid dat samenwerking juist tot verslechtering of stilstand had gezorgd, dan zou het artikel dáár mee uitgepakt hebben. Of, waarschijnlijker, had het onderzoek de krant niet gehaald.

Wat in dit geval dus mist is een kritische benadering: hoe kan het eigenlijk dat er kosten worden bespaard en toch kwaliteitsverbetering optreedt? Is dat kwaliteitsverbetering volgens de patiënt of voor de patiënt? Hoe heeft hij dat eigenlijk onderzocht?

Het is niet de bedoeling om het frame van de onderzoeker klakkeloos over te nemen. En constructieve journalistiek staat niet tegenover ‘kritische’ journalistiek, het voegt een extra dimensie aan kritische journalistiek toe.

3. Je hebt natuurlijk constructieve en minder constructieve wetenschappers

Nu gaf Wijndelts in mijn gesprek op Twitter al meteen toe dat dit oude Telegraafstuk misschien niet het beste voorbeeld was om zijn vraag mee toe te lichten.

Maar hoe zit het dan, vroeg hij, met serieuze wetenschapsjournalisten die wel verder gaan dan het overnemen van een persbericht? Wanneer kun je hun werkzaamheden ‘constructief’ noemen?

Ik zou zeggen: als de journalist in kwestie extra moeite doet om verder te gaan dan de probleemanalyse. En dat is in veel gevallen: verder dan de wetenschapper zelf.

Want de manier waarop veel wetenschap wordt bedreven, helpt een constructieve journalist niet meteen op weg. Een wetenschapper ziet het in de eerste plaats als zijn of haar taak de wereld te beschrijven en te begrijpen. Wie de wereld ook nog wil veranderen brengt algauw een on-wetenschappelijke bias mee.

Daar moet je inderdaad mee uit kijken, hoewel een wetenschapper niet alleen een wetenschappelijke, maar ook een maatschappelijke taak heeft. Het lijkt me voor een journalist de kunst om een wetenschapper uit te dagen uit te leggen die maatschappelijke taak – het constructieve element van zijn of haar vak – over het voetlicht te brengen.

Neem bijvoorbeeld het belangrijke onderzoek van promovendus Tamar de Waal, die twintig jaar Nederlands integratiebeleid heeft onderzocht. Is dat beleid er beter op geworden? Haar conclusie: ‘Nee. Het werkt averechts.’

Wat haar toch tot een constructieve wetenschapper maakt is dat ze hier niet ophoudt, maar dat ze verder gaat. Zo kondigde ze direct na haar promotie aan een stichting te beginnen om de belangen van inburgeraars beter te behartigen. En formuleert ze concrete beleidsalternatieven voor het beleid dat ze heeft onderzocht.

Ook de ‘sociaal gerater’ uit het verhaal van Heiba, waar ik mee begon, is zo’n constructieve onderzoeker. Misschien wel omdat ze dit onderzoek na een lange carrière in de zorg is gaan verrichten en dus precies weet waar de schoen ‘m wringt.

Met zulke onderzoekers is een constructieve invalshoek zo gevonden. Daar is de uitdaging eerder om het realiteitsgehalte van de geschetste oplossingen te bevragen. Of een vergelijking aan te brengen tussen de oplossingen van deze ene wetenschapper en die van zijn of haar collega’s.

De grotere uitdaging is om over kwesties te schrijven zonder dat het onderzoek of het thema daar zelf aanleiding toe geeft.

Zo zijn er – een volstrekt onwetenschappelijk voorbeeld, ik weet het – meer dan voldoende studies en stukken te vinden over Het Falen van de Verzorgingsstaat (180 miljoen hits op Google), maar over het redden of verbeteren ervan een stuk minder (ruim 3,4 miljoen).

De uitdaging voor een constructieve (wetenschaps-)journalist is in zo’n geval om een wetenschapper niet te laten wegkomen met de zoveelste klaagzang langs de zijkant, maar uit te dagen tot het schetsen van een alternatief.

Maar nog even: wat is constructieve journalistiek nu wel?

De beste manier om te beschrijven wat constructieve journalistiek nu wel is, is volgens mij: journalistiek die de ‘hoe dan?’-vraag centraal stelt.

Dus niet: waar lopen demente ouderen tegenaan? Maar: hoe kun je demente ouderen het best benaderen?

Een uitstekend voorbeeld daarvan trof ik de afgelopen jaren in Vrij Nederland zelf aan: de rubriek ‘De Oplossers’, zie http://www.deoplossers.nl/.

Het kan zijn dat het me ontgaan is, maar ik zie op de site al een jaar geen nieuwe stukken staan. Mijn wedervraag aan Ward Wijndelts is dan ook: waren de oplossingen op, of is hier iets anders aan de hand?

Heb je zelf ook een vraag die je beantwoord wilt zien? Zie jij het allemaal helemaal anders? Laat het ons weten via info@constructievejournalistiek.nl.

FacebookTwitterLinkedInEmail