Hoe bericht je over een ramp? Lessen van de vorige orkaan voor de volgende

Het is je vast niet ontgaan; de Nederlandse Antillen zijn getroffen door orkanen. Elke dag druppelden tientallen mediaberichten binnen. Allemaal even interessant natuurlijk, maar hebben we al deze informatie wel nodig? En krijgen we wel de juiste berichten voorgeschoteld?

Wij maakten een belrondje en blikten met drie experts terug op de vorige ramp, met een schuin oog op de volgende.

We begonnen met Hans Jaap Melissen, misschien wel de expert bij uitstek over dit onderwerp. Zo schreef hij het boek Haïti, een ramp voor journalisten, over de nasleep van de aardbeving in januari 2010.

Afgelopen zaterdag blikte hij in de Volkskrant nog uitgesproken kritisch terug op de berichtgeving van de afgelopen weken.  “Je kunt erop wachten: als zich ergens een natuurramp heeft voltrokken, begint het meestal meteen daarna apocalyptische termen te regenen.”

Hans Jaap Melissen (1968) werkt voor de publieke omroep. Daarnaast schreef hij het boek Haïti, een ramp voor journalisten, over de nasleep van de aardbeving in januari 2010.
John Olivieira (1971) is marketing strateeg. Daarnaast is hij bestuurder van de lokale omroepen Open Rotterdam en FunX, en hij zet zich in voor meer diversiteit in de Nederlandse journalistiek.
Nico Drok (1956) is vanaf 2009 lector Media en Civil Society. Hij richt zich onder andere op civiele journalistiek en journalistiek en burgerschap.

Ons oog viel ook op de kritische blik van John Olivieira, bestuurder van twee regionale omroepen. Hij zet zich daarnaast in voor meer diversiteit in de Nederlandse journalistiek.

Over de mediaverslaggeving vertelt hij in duidelijke taal, af en toe onderbroken met hard gelach om uiting te geven aan zijn frustratie. “Wij zien het als vakantieoord, maar het is een onderdeel van Nederland. Als het Zeeland was geweest, was er heel anders over bericht.”

We vroegen ons tenslotte af: is het ook een taak van journalisten om het publiek in beweging te krijgen na zo’n ramp? Nico Drok leek ons daarvoor de aangewezen persoon. Vanaf 2009 is hij lector Media en Civil Society. “Ik denk dat de journalistiek mensen kan helpen om actief te zijn,  zodat burgers het gevoel hebben iets goed te doen in hun leven.”

1: De media berichten te veel over plunderingen

Drok: “Het leek alsof alle winkels werden geplunderd, terwijl het vooral ging om levensmiddelenzaken. Eigenlijk hadden media moeten proberen om met een politieman of gewone burger te spreken. Zij zouden dan kunnen uitleggen dat het heel begrijpelijk is wat er gebeurt.”

Melissen: “Het is belangrijk om mensen die je interviewt te vragen of ze de plunderingen en beschietingen zelf hebben gezien. Nu stonden witte mensen in de camera te schreeuwen dat ze beschoten werden, maar ik weet niet of ze het zelf hebben meegemaakt. Het kan een gerucht zijn.”

Olivieira: “Media lieten vooral zien dat er geen orde was, en daarom stuurt Nederland mariniers. Maar waarom is er geen orde? Kan het zo zijn dat Nederland bepaalde investeringen niet doet, omdat we het lastig vinden door ons koloniale verleden? Die context miste ik in de berichtgeving.”

2: De berichtgeving over de lokale (zwarte) bevolking blijft achter

“Het is de omgekeerde wereld: het is nieuws omdat de koning er komt, niet omdat die eilandbewoners Nederlanders zijn.”

Drok: “Het publiek heeft nieuws nodig waarmee het zich kan identificeren. Daarnaast hebben media de taak om de bevolking gerust te stellen met goed nieuws over hun naasten. Maar ik vind dat er ook geschreven had mogen worden over de bewoners van Sint-Maarten.”

Melissen: “Sommige journalisten filmden op het vliegveld, waar zich vooral veel witte mensen verzamelden. Als je alleen dat laat zien, geeft het een vertekend beeld. Maar ik heb in de media ook veel donkere mensen gezien die bij hun spullen stonden.”

Olivieira: “Onze koning gaf een heftig signaal af toen hij erheen ging. Hij praatte wél met de bewoners. Toen pas gingen we erover schrijven, met verhalen op de voorpagina. Het is de omgekeerde wereld: het is nieuws omdat de koning er komt, niet omdat die eilandbewoners Nederlanders zijn.”

3: We zien vooral witte deskundigen, en Nederlandse hulpverleners en mariniers

Drok: “In dit geval was het waarschijnlijk lastig om betrokkenen te vinden. Daarnaast zijn de meeste experts in onze samenleving, witte mannen. Bij rampen moet snel gehandeld worden en dan kiezen de media eerder voor deze deskundigen. Het is echter beter als journalisten meer perspectieven zouden geven.”

Olivieira: “Ik vond de berichtgeving bijna op het koloniale af. Na alle aandacht voor de plunderingen, kwamen de mariniers in beeld. We lieten niet zien wat mensen deden om zichzelf en anderen te helpen. Er ontstond bijvoorbeeld een ruileconomie. Waarom werd daar niet over bericht?”

4: Veel berichten over de nasleep van de ramp en weinig over de preventie

Drok: “Zodra het incident voorbij is, verdwijnt de media-aandacht. Het zou mooi zijn als journalisten nu naar Sint-Maarten gaan, en berichten over de wederopbouw en de toekomst. Een storm kun je niet voorkomen, maar je kunt wel proberen de gevolgen te verkleinen.”

“Het zou mooi zijn als journalisten nu naar Sint-Maarten gaan, en berichten over de wederopbouw en de toekomst.”

Melissen: “Ik stoor me vooral aan de manier waarop we over rampen berichten. Hulporganisaties verspreiden meestal gekleurde informatie om zoveel mogelijk geld binnen te halen. Hun woorden vinden te makkelijk de weg naar de media, en er zijn correspondenten die het beeld bevestigen door de meest schrijnende verhalen te laten zien. Als een journalist context biedt en kijkt of informatie klopt, kan passende hulp worden geboden.”

Olivieira: “De berichtgeving over Amerika was bizar in vergelijking met die over de bovenwindse eilanden. Voor de orkaan kwam, werd er al over bericht. Hoe wapenen mensen zich? Dit is belangrijk; er zit een waarschuwende factor in. Waarom gebeurde dit niet toen de orkaan de bovenwindse eilanden naderde? Media kunnen nu de vraag stellen hoe het land duurzaam kan worden opgebouwd.”

5: Het is de taak van de media om de betrokkenheid die mensen voelen om te zetten in actie

Drok: “Dat vind ik wel. Wij als samenleving willen dat problemen worden opgelost. Journalisten kunnen bijvoorbeeld aangeven waar mensen aan kunnen bijdragen. Ik vind alleen niet dat media de taak hebben om te zeggen dat iets moet.”

Melissen: “Ik geloof niet zo in constructieve journalistiek als term. Volgens mij heb je goede en slechte journalistiek. Ik neem aan dat een goede journalist ook aandacht besteedt aan preventie. Maar misschien zijn mijn verhalen niet zo constructief. Dat kan me niet zoveel schelen eigenlijk. Ik wil gewoon een vinger op de zere plekken leggen, waarheidsvinding, dat soort dingen.”

Olivieira: “Ik vind het belangrijker dat journalisten hun werk goed doen. Dat ze laten zien wat er gebeurt. Er is een speciale tv-uitzending om geld in te zamelen. Zorg dat iedereen voor die tijd weet wat de noodzaak is.”

FacebookTwitterLinkedInEmail